| |
Nederlandse Modelspoor Federatie FAQ (Frequently Asked Questions/vaak gestelde vragen)
Categorie: Hoofd -> Digitaal
| Antwoord | | · Introductie De overwegingen die ten grondslag liggen om met een digitaalsysteem te gaan werken zijn divers, maar over het algemeen wordt ervoor gekozen om betere rijeigenschappen bij de locomotieven te bewerkstelligen en om met meerdere locs op één stroomkring onafhankelijk van elkaar te kunnen rijden. Een volgende logische stap kan dan zijn om de modelbaan door de computer aan te sturen en te beveiligen. Dus dan kan via de computer de trein naar een bepaald deel op de baan worden gestuurd, terwijl de software de beveiliging op zich neemt.
De bedoeling van dit DigiDummy document is je een beetje op weg te helpen in de wereld van digitale modelspoorbouw. Verwacht geen kant-en-klare oplossingen maar een overzicht hoe alle componenten samenhangen en van elkaar afhankelijk zijn. Geprobeerd is het verhaal stap-voor-stap op te bouwen en zo veel mogelijk neutraal te zijn ten opzichte van de diverse systemen omdat de basisprincipes toch hetzelfde blijven! Dringend advies is om het verhaal helemaal door te lezen omdat dan de onderlinge verbanden en afhankelijkheden duidelijker worden.
Veel succes! [ Terug naar boven ]
| | · De basis van Digitaal In tegenstelling tot analoge banen worden op een digitale baan de locs niet door spanningsverschillen (stroom afknijpen of openzetten) aangestuurd maar door in de constant aanwezige wisselstroom verstopte signalen. Deze signalen worden door zogenaamde decoders opgepikt en omgezet in instructies voor de loc of wissel. De truc is dat iedere instructie een adres bevat welke voor een specifieke decoder bedoeld is en ook alleen door die decoder opgepikt zal worden, alle andere decoders op de baan zullen instructies welke niet voor hen bedoeld zijn gewoon negeren. Op die manier kun je dus meerdere locs op dezelfde baan laten rijden en iedere loc apart aansturen. Instructies voor een loc voer je in door middel van de centrale control-unit, deze geeft ze dan door aan de rails via de booster en de diverse decoders pikken ze dan op via de rails.
Dit ziet er grofweg zo uit in een tekening:
Voor 3-rail systemen is dat zo ongeveer hetzelfde, maar om niet alles in duplo te hoeven doen beperken we ons, waar mogelijk, tot 2-rail systemen.
Wat doen de diverse componenten nu?
De Trafo is makkelijk, deze zet de 230 volt om in 16 of 18 Volt wisselstroom voor de baan. De Control-unit is het apparaat waarmee je instructies ingeeft en de Booster versterkt de digitale instructie uit de control-unit en zet dit dan op de rails. De wisselstroom staat dus continu op de rails en de instructie-signalen zitten daar dus doorheen gemengd. Eigenlijk zouden we de controller of control-unit nog moeten opsplitsen in een regelaar en centrale. Hierin is de regelaar het onderdeel waar je de instructies mee geeft en de centrale het onderdeel dat dit vertaald in digitale signalen, omdat in heel veel gevallen dit in hetzelfde apparaat gebeurt houden we het maar op control-unit die beidde doet. Bovenstaand is allemaal niet zo wetenschappelijk uitgelegd maar is zo ongeveer wel wat er gebeurt. Er zijn diverse sites waarop de zwaar technische en exacte verklaring terug te vinden is.

Voor grote banen worden er meerdere boosters ingezet omdat anders de benodigde stroom voor onze eerste booster te groot zou worden (limiet ligt meestal zo rond de 3-4 Ampère). Let op de elektrische scheiding in de rails! Verder laten we dit rusten wat we zijn ten slotte beginners!! [ Terug naar boven ]
| | · Wissels uurlijk wil je niet altijd in hetzelfde rondje blijven rondrijden omdat dat al snel heel erg saai wordt, wissels zijn er dus nodig en die moeten dan ook digitaal aangestuurd worden. In analoog had je dan een hele batterij knoppen (soms zelfs een heel schakelpaneel), in digitaal werkt dit door middel van wisseldecoders, deze pikken een instructie tot omzetten van een wissel op van de centrale stroomdraden die uit de booster komen en geven dan een puls af aan de wisselmotor.
Let op!! Er zijn grofweg twee soorten wisselaandrijvingen, de soort welke slechts een paar tiende van een seconde stroom nodig hebben (een echte puls dus) en aandrijvingen welke gedurende een aantal secondes stroom nodig hebben, beide soorten hebben een specifieke decoder nodig en beidde soorten van decoders worden wisseldecoders genoemd. Oppassen dus bij de aanschaf.
Het is aan te raden om wisseldecoders te nemen die gebruik kunnen maken van een externe stroomvoorziening, op die manier hoef je namelijk geen digitale stroom van de rails te gebruiken en heb je dus minder snel een dure tweede booster nodig. Met een extra trafo van een tientje kun je al je wissels bedienen, deze zal capaciteit genoeg hebben omdat alle wissels altijd na elkaar worden omgezet, zelfs als je ze opdracht tot gelijk schakelen zou geven. Schematisch ziet dat er zo uit:

Verbinding ‘A’ is alleen nodig om het digitale signaal bij de wisseldecoder te krijgen.
Meestal kunnen wisseldecoders 4 wissels aansturen.
Er zijn ook nog andersoortige decoders dan bovengenoemde wisseldecoders, er zijn ook decoders die een relais omzetten waardoor je lichtsignalen kunt aansturen of decoders in rijtuigen die de verlichting schakelen. We beperken ons hier tot de essentiële zaken.
Let wel op dat de wisseldecoder voldoende stroom kan leveren, sommige wisselmotors gebruiken wel 2 of 3 Ampère, het is maar eventjes, maar toch!! [ Terug naar boven ]
| | · Is er standaardisatie? Natuurlijk niet!!! Diverse fabrikanten hebben zo hun eigen systemen met ieder ook zo zijn eigen, soms fanatieke, aanhang. Gelukkig is het niet helemaal hopeloos omdat er ook diverse onderdelen in een ‘meertalige’ versie bestaan.
Het meeste kom je een van de volgende protocollen (digitale talen) tegen:
Märklin / Motorola (meerdere versies)
DCC / NMRA
Selectrix
Iedere fabrikant heeft natuurlijk het volledige arsenaal aan trafo’s, boosters, controle-units, loc- en andere decoders en alle andere randspullen die je maar kan verzinnen. Allemaal roepen ze natuurlijk dan hun systeem het beste is en het gemakkelijkst in gebruik. Dat laatste klopt wel een beetje omdat het assortiment van een fabrikant op elkaar is afgestemd, maar alles kant-en-klaar kopen is afzichtelijk duur. Heel veel dingen vallen best te combineren of, nog beter, zelf te bouwen en dat scheelt heel veel in de kosten. Tevens zijn er bij de control-units ook multi-protocollaire versies te koop. Met name de Intellibox (kortweg IB) van Uhlenbrock is hier het vermelden waard. Later komen we hier nog op terug. Om dingen zelf te bouwen is meestal niet veel meer nodig dan een beetje handigheid en een zekere mate van logica. Als je beide eigenschappen niet hebt kun je beter niet eens beginnen met modelspoorbouw. Voor diegene die goed is ingevoerd in elektronica zijn er werkelijk zeer veel mogelijkheden te vinden op het web, voor de rest, die een duidelijk bouwplan nodig heeft, is er iets minder maar zeker nog voldoende te doen. In de rest van het verhaal zullen we nog wat voorbeelden van zelfbouw tegenkomen.[ Terug naar boven ]
| | · Trafo Een essentieel onderdeel van je baan is natuurlijk de stroomvoorziening, je kunt transformators in allerlei soorten en maten kopen. Eventueel kun je zelf een trafo bouwen, pas daar wel bij op en zorg dat je weet wat je aan het doen bent, je werkt met 230 Volt!!
Een mooi voorbeeld van een zelfbouw-trafo is die van Huib Maaskant, deze heeft 6 aparte stroomgroepen die uit 1 grote ringkern-trafo worden gehaald, een soort van kwantum korting! Zie de schitterende website van Huib (http://www.floodland.nl/aim/) voor meer informatie.
Drie kanttekeningen bij dit zelfbouw project:
Zorg dat de behuizing hoog genoeg is, een behuizing van 25cm breed, 20cm diep en 7cm hoog genomen (Conrad art. 520446), gaat net maar is wel een beetje proppen. 9 cm hoog is beter.
Zorg dat de zekeringen gemakkelijk te bereiken zijn, gebruik bijv zekeringhouders Conrad art. 533769, en zorg dat de zekeringen van het type traag zijn (1 Ampère – Conrad art. 533491 en 4 Ampère – 533548).
Je kunt gewoon de goedkoopste 5mm LED’s nemen [ Terug naar boven ]
| | · PC Velen, zo niet de meeste, die aan digitaliseren van een modelspoorweg denken zullen in het achterhoofd de gedachte hebben om de baan middels een PC te gaan aansturen. Het kan een extra dimensie geven waar je heel veel mee kunt. In dit verband wordt zeer vaak het programma Koploper van Paul Haagsma genoemd (www.pahasoft.nl). Dit is zeker niet het enige beschikbare programma maar het is zeer gedegen en uitgebreid en nog gratis bovendien. Kortom, echt een aanrader.
Even terug naar de basis lay-out:

De PC bestuurt dus de Control-unit welke via de Booster de instructies aan de diverse decoders verstuurt. Er valt nog heel veel meer te zeggen over dit plaatje maar daar komen we later op terug, eerst even een kleine maar belangrijke zijstap.
Nadelen van PC-aansturing
Zijn die er dan? Jazeker, een PC is in feite maar een dom ding, je moet het echt alles vertellen!
Een voorbeeld: als je zonder een PC een loc van A naar B wilt sturen dan stuur je dat zelf heel gemakkelijk aan via de Control-unit, je ziet waar het ding staat, je ziet welke wissels hoe genomen moeten worden en je ziet wanneer je in B bent aangekomen en kunt stoppen.
Om een PC het bovenstaande te laten doen moet je heel wat meer uit de kast trekken, je moet het apparaat vertellen hoe je baan eruit ziet, hoe de wissels liggen, hoe de wissels aangestuurd moeten worden, waar de loc staat, waar de loc heen moet en wanneer de loc moet stoppen.
Dit moet de PC allemaal op de een of andere manier worden duidelijk gemaakt! In de volgende hoofdstukken komen we dan ook op onderwerpen als Blokken, Secties, Bezet- en Terugmelders. [ Terug naar boven ]
| | · Booster en Control-unit Boosters en Controle-units zijn er in allerlei soorten en smaken met verschillende vermogens. Ook zijn er diverse zelfbouw pakketten waarvan die van Edits/Elektuur de bekendste is en deze levert naar keuze 5A of 10A. Het mag duidelijk zijn dat bij deze hoge stromen een waarschuwing op zijn plaats is. Gebruik bij kleine schalen zoals N en H0 geen boosters sterker dan 5A. Zorg voor een voldoende dikke bedrading welke op meerdere plaatsen is aangesloten. Maar dat geldt eigenlijk ook al bij een stroomsterkte van 3A.
Als we de kant-en-klare oplossingen van de fabrikanten even negeren zijn er bij het Booster en Control-Unit verhaal een aantal wegen die je kunt inslaan; twee varianten zijn belangrijk om hier te noemen.
Zelfbouw booster met een PC als control-Unit.
Boosters kunnen zelf gebouwd worden, bijvoorbeeld de Edits-booster wordt veel gebruikt. Een extra PC (een oude 386 kan prima) draait het programma MRdirect en functioneert dan als Controle-unit, in een plaatje:

Let op: je hebt echt 2 PC’s nodig!! Die voor MRdirect mag een oude 386 zijn.
Een gecombineerde Booster en Control-Unit.
Schaf een Intellibox van Uhlenbrock aan (in jargon de ‘IB’), dit is een combinatie van een Booster en Control-unit en is volledig multi-protocolair:

Hoewel het eindresultaat van beide opties, qua functionaliteit, elkaar niet veel ontloopt is er toch een groot verschil in methode en gebruiksgemak. De keuze tussen de methodes is dan ook afhankelijk van persoonlijke voorkeuren, elektronica vaardigheden, budget en gewenst gebruikersgemak.
Het moge duidelijk zijn dat de IB de duurste optie van deze twee is, een IB kost ongeveer €390,- maar dan heb je ook geen losse Booster of 2e PC meer nodig, tevens beschik je dan over een zeer mooi verzorgde en gebruikersvriendelijke Controle-unit voor de momenten dat je niet geautomatiseerd wilt rijden (bijvoorbeeld bij rangeren). De MRdirect oplossing kan dit ook allemaal maar verondersteld wel beduidend meer elektronica vaardigheden en is wat minder intuïtief in niet geautomatiseerd bedrijf. Net als Koploper is ook MRdirect een knap stuk automatisering, MRdirect is gemaakt door Marco Roede en veel meer informatie kun je vinden op www.MRdirect.nl [ Terug naar boven ]
| | · Startsets Ook de grote fabrikanten leveren natuurlijk boosters en control-units in allerlei soorten en maten, in het algemeen kunnen deze alleen het protocol van de fabrikant aan! Je zit dan wel vast, een control-unit is een heel belangrijke en grote aanschaf, bezint eer ge begint!!
De meeste fabrikanten leveren ook relatief goedkope startsets waarin 1of 2 digitale locs, een booster, trafo en control-unit zit. Een waarschuwing is hier op zijn plaats, Heel vaak zijn de geleverde trafo en booster van zeer beperkte capaciteit (1 Ampère), tevens is meestal ook de geleverde control-unit echt een instap –model waar je later niet zoveel meer mee kunt.
Voor de rest van het verhaal maakt het niet zoveel uit welke optie je gaat kiezen, de basisprincipes blijven bestaan. [ Terug naar boven ]
| | · Blokken Neem het volgende redelijk eenvoudige baantje:

Handmatig is dit allemaal best te overzien en je kunt prima twee locs tegelijkertijd laten rijden zonder in grote problemen te komen. Een PC snapt hier dus helemaal niets van. Zonder je het misschien bewust te zijn laat je zelf een loc niet een stuk op rijden waar al een loc staat, in gedachte is zo’n stuk baan (een Blok) bezet en niet beschikbaar voor de andere loc. Als je dit door redeneert bestaat bovenstaande baan eigenlijk uit 7 blokken! Kijk maar:
 De blokken zijn Romeins genummerd van I tot VII, de kleine dubbele lijntjes geven de blokgrenzen aan. Een trein rijdt dus van het ene blok naar het andere en een blok is daardoor bezet of niet.
Twee heel belangrijke opmerkingen:
Een wissel maakt normaal gesproken geen deel uit van een blok, in een later stadium geef je in programma’s als Koploper apart aan hoe de wissels moeten staan als een trein van het ene naar het andere blok moet. N.B., dit geldt dus voor Koploper, andere software kan hier iets anders mee omgaan, maar omdat je voor die andere software zwaar moet betalen beperken we ons tot Koploper, doet hetzelfde, is Nederlandstalig en gratis.
Een blok is altijd minimaal zo lang als je langste trein. Bedenk dat een PC niet kan zien dat er nog een stukje trein op de wissel staat omdat de trein niet in het blok past!
Schematisch zou bovenstaande baan zo kunnen worden weergegeven:

Voor de duidelijkheid zijn de bloknummers ongeveer op de goede plek gezet maar dat hoeft natuurlijk niet. Je geeft hier dus mee aan hoe de relaties tussen de blokken liggen. Je ziet bijvoorbeeld dat een loc nooit direct vanuit VII naar I kan maar altijd via IV of VI.
Natuurlijk zijn er nog vele nadere kenmerken die beschreven moeten worden van de blokrelaties, denk bijvoorbeeld maar aan de rijrichtingen[ Terug naar boven ]
| | · Secties Met het definiëren van blokken ben je er nog niet, een blok bestaat namelijk meestal uit 2 of meer secties. Gebruik makend van secties ga je aangeven waar een loc moet beginnen te remmen en waar een loc gestopt moet zijn. Dit is nu nog een beetje vaag maar misschien dat onderstaande voorbeelden helpen het te verduidelijken.
Situatie 1, een doorgaande route (bijv. Blok IV in voorgaand baanplan):

In feite gebeurt er in dit blok niet veel meer dan dat een trein op tijd moet stoppen als het bestemmingsblok of de wissel bezet is. Met andere woorden; je ziet graag dat een trein vlak voor een wissel stilstaat. Om nu aan te geven waar dat dat is wordt een stopsectie geïntroduceerd (in dit geval zelfs twee omdat het blok in twee richtingen bereden kan worden).

Als de trein in blok IV nog niet kan doorrijden naar blok I omdat bijvoorbeeld de wissel bezet is vanwege verkeer van blok VI naar VII is het de bedoeling dat’ie stopt in S3 en niet al in S1 of S2. In de andere richting natuurlijk precies hetzelfde: stoppen in S1 en niet in S2 of S3.
Je ziet nu ook meteen de reden achter de regel “een blok moet langer zijn dan de langste trein”, je wilt een stilstaande trein niet hebben uitsteken!!
Situatie 2, een station (bijv. Blok II)
 Als een doorgaande trein moet stoppen omdat wissels bezet zijn dan moet dat afhankelijk van de richting in S1 of S6.
Een lange trein die moet stoppen aan het perron doet dat in S2 of S5, en een korte stoptrein moet stoppen in S3 of S4. Op deze manier kun je dus het meest natuurgetrouw de treinbewegingen simuleren. [ Terug naar boven ]
| | · Bezetdetectie We hebben nu gezien hoe je duidelijk maakt aan de PC hoe de baan eruit ziet, maar hoe weet die PC nu waar een loc is? Dat gaat door middel van bezetdetectie. In principe krijgt iedere sectie een bezetmelder en als deze dus iets terugmeldt dan weet de PC meteen waar de trein is en kan dan dienovereenkomstig nieuwe instructies geven.
We hebben natuurlijk wel de eerste keer een beginpunt moeten aangeven voor iedere trein, zodat de PC wist vanaf waar hij moest gaan bijhouden.
Trein detectie kan op verschillende manieren voor elkaar gekregen worden, in alle gevallen is extra elektronica noodzakelijk! Dit genereert vanzelfsprekend weer extra kosten en het loont dus om kritisch te kijken of een bepaalde sectie wel gedetecteerd hoeft te worden. Een goed voorbeeld van een dergelijk geval is sectie 2 in bovenstaande Situatie 1, het doorgaande baanvak. De meeste programma’s hebben op zich aan 2 detectiepunten genoeg maar er zijn ook modelspoorders die liever geen ongedetecteerde baanstukken hebben. Reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn detectie van losgelaten rijtuigen en daarmee verhoogde veiligheid.
Kortom, de meningen zijn verdeeld, allemaal met goede argumenten, keus is aan jezelf.
Let op!! Een blok bestaat nog steeds uit 3 secties, de discussie gaat er alleen over of de middelste sectie nu ‘gedetecteerd’ moet worden of niet!
Terug naar methodes voor treindetectie, de volgende methodes kunnen worden onderscheiden:
Melding op basis van stroomgebruik
Melding door middel van magneetjes onder de trein en Reed-contacten onder de rails
Andere varianten; optische detectie of inductieve detectie. Deze varianten negeren we direct weer, ze bestaan, maar ze worden niet zoveel gebruikt en er is niet zoveel info over te vinden.
Märklin heeft/gaat een nieuw digitaal systeem op de markt brengen welke onder andere treindetectie volledig geïntegreerd heeft. Een lok hoeft zelfs niet meer aangemeld te worden, op de rails zetten en de control-unit weet meteen waar de lok staat en welke lok het is. Dit is (medio juni 2004) allemaal nog splinternieuw, toekomst moet uitwijzen of het echt zo werkt en of het het geld wel waard is, je bent namelijk volledig aangewezen op kant-en-klare Märklin spullen met bijbehorend prijskaartje. Neemt niet weg dat het wel heel mooi klinkt, het is aan jezelf om je eigen gewenste prijs-prestatie verhouding te bepalen. Zie http://www.marklin.nl/ voor meer informatie. [ Terug naar boven ]
| | · Terminologie Er is nogal eens verwarring over de terminologie bij bezetdetectie. Termen als terugmelders, bezetmelders en stroomdetectors worden vaak door elkaar gebruikt.
In principe is het verstandig om de elektronica welke een bezetsignaal aan de control-unit doorgeeft de “Terugmelder” te noemen en de elektronica welke detecteert of een stuk rails bezet is de “Bezetmelder” te noemen, deze laatste werkt soms op het principe van stroomdetectie en wordt daarom ook wel een “Stroomdetector” genoemd.
Om het nu helemaal verwarrend te maken is er ook elektronica welke beide functies combineert, deze zou je dan eigenlijk “Terugmelder met ingebouwde stroomdetectie” moeten noemen, maar dat is wel een hele mond vol, daar komt nog bij dat ze per te detecteren sectie meestal een stuk duurder zijn. [ Terug naar boven ]
| | · Terugmelder De stroom- en magneet-methodes worden het meest gebruikt. Iedere methode heeft zo z’n voor- en nadelen. Beide hebben echter ook overeenkomsten en dat is de wijze waarop de meldingen terugkomen bij de PC via de Controle-unit. Dit gaat via één of meerdere S88-terugmelders.
Er zijn ook nog andere systemen, bijvoorbeeld van Selectrix, maar de S88-terugmelder (oorspronkelijk door Märklin ontwikkeld) is zeer wijdverspreid en o.a. te gebruiken bij Märklin centrales, IntelliBox en Twin Centre (Fleischmann). Een bijkomend voordeel is dat er een grote keus is in leveranciers met bijbehorende prijsvoordelen.

Een zelfbouw S88 terugmelder is opgenomen in het zelfbouw hoofdstuk. Maar voor diegenen die geen elektronica hobbyist zijn (en dus niet printplaten kunnen etsen of zin hebben om uren te solderen) is het discutabel of het loont. Geschatte kosten zelfbouw ongeveer 18 Euro per stuk.
Enige leveranciers van kant-en-klare S88 terugmelders zijn: Märklin, Viessmann, LDT, Uhlenbrock, Conrad en RoSoft

Een van de goedkopere kant-en-klare oplossing is de S88 terugmelder van Conrad (art. nr. 212628). Deze kost € 23,50 en werkt verder prima, alleen de S88 kabel is heel erg stug en kort. Aan te raden is om er zelf een stuk UTP netwerkkabel tussen te zetten. Vergeet niet om 2.6 mm banaanstekkertjes mee te bestellen (art. nr. 730580 voor zwarte, € 0,17/stuk)
[ Terug naar boven ]
| | · Lenz terugmelders de LR100/101 Is er als basis gekozen voor de Lenz terugmelders de LR100/101 en het Lenz Digital Plus systeem dan moet er altijd van een bezetmelder gebruik gemaakt worden met een galvanisch gescheiden uitgang zoals bijvoorbeeld een Lenz LB100, zelf als het in combinatie met een drierailsysteem wordt toegepast. Zie het zelfbouw hoofdstuk voor een schema van de LB100. [ Terug naar boven ]
| | · Selectrix spoorbezetmelding Bij Selectrix zit de bezetmelding in de terugmelddecoders ingebouwd, dus deze kunnen rechtstreeks op de rails worden aangesloten. Aan deze bezetmelders hangt echter wel een behoorlijk hoog prijskaartje in vergelijking met de andere systemen. [ Terug naar boven ]
| | · Reed contacten Reedcontacten zijn hele kleine glazen buisjes en als daar een magneet overheen wordt bewogen wordt het contact gesloten. De magneetjes worden onder de loc gelijmd en de Reedcontacten vlak onder de rails ingegraven.
 Een nadeel van de Reed-methode is dat er nog wel eens problemen zijn met de detectie, meestal hangt dit af van de nauwkeurigheid van de bouwer en diens modelbaan. Over het algemeen ligt de algehele betrouwbaarheid toch iets lager dan met de stroomdetectiemethode. Tevens kan het plaatsen van magneetjes onder de loc nog wel eens problematisch zijn, vooral bij N-spoor is dit lastig vanwege het geringe formaat. Een voordeel is wel de grotere vrijheid en gemak van plaatsen, vooral bij al bestaande banen is deze methode te overwegen. [ Terug naar boven ]
| | · Stroomdetectie Stroomdetectie werkt volgens het principe welke de naam al aangeeft, als er stroom wordt gebruikt in een bepaalde sectie dan is die sectie dus bezet. Dit kan door een rijdende loc zijn maar ook door een los verlicht rijtuig of zelfs rijtuigen waarvan de wielstellen licht geleidend zijn gemaakt door middel van weerstandslak.
Bij 2-rail banen is er een nadeel aan deze methode omdat er nog een extra schakeling nodig is tussen de rails en de S88 terugmelder. 3-rail systemen hebben dit nadeel niet.
Gelukkig voor de 2-railers is de extra schakeling vrij eenvoudig en redelijk goedkoop zelf te maken.

Zoals je ziet is dit een tikje ingewikkelder. In feite wordt in iedere sectie één van de rails (data rail) geïsoleerd van zijn buren en via de bezetmelder van stroom voorzien. Zodra een loc nu in deze sectie komt wordt er een signaal door de S88 terugmelder naar de IB en PC gestuurd.
Voor diegene die elektronica schema’s kunnen vertalen in een print lay-out is er een scala aan varianten te vinden op het web. Voor alle andere stervelingen staat in het zelfbouw hoofdstuk een lay-out en componentenlijst van een 4-voudige bezetmelder op basis van stroomdetectie (je hebt er dus 4 nodig voor één S88-terugmelder en je kunt dan 16 secties detecteren). [ Terug naar boven ]
| | · Spoor bezet- terugmelding bij drierailsystemen (Märklin) Bij Märklin kan dankbaar gebruik worden gemaakt van de drie geleiders. Het makkelijkst gaat het met de K-Rails. De normale K-Rail heeft drie aparte geleiders, de twee spoorstaven en de middengeleider. Door nu een spoorstaaf aan de bruine draad aan te sluiten en de midden geleider aan de rode heb je in principe een tweerailsysteem gemaakt. Door nu de nog vrije spoorstaaf in stukken te delen, op de plaatsen van de railschoenen, maak je op een simpele manier een blokverdeling. Deze blokverdeling kan je zo lang of zo kort maken als je zelf wilt. Vanaf deze blokken gaat er een draad naar de S88 (6088) van Märklin.
Bij C-Rail moet bij iedere rail de verbinding van de beide spoorstaven worden doorgeknipt aan beide zijden aan de onderkant van de rails. Dit om er voor te zorgen dat de beide spoorstaven elektrisch van elkaar gescheiden worden. Dit maakt de C-Rail bewerkelijker dan de K-Rail. En de kans op fouten is groter. Dit omdat je bij de C-Rail vanaf de onderkant werkt en bij de K-rail vanaf de bovenkant, dus hebt je gelijk overzicht.
De M-Rail is een verhaal apart, het is wel mogelijk om hier de bezetmelding op de manier van de K- en C-Rail te doen, maar is vele malen duurder of ingewikkelder. Met de standaard rail 5116 en 5117 is het mogelijk, maar daar hangt een prijskaartje aan. Met een beetje knutselen is het ook zelf te maken. 1 spoorstaaf los halen en geïsoleerd weer terugplaatsen. Een moeilijk en precies werkje, maar te doen. Dit is om permanente railbezetmelding te krijgen. Het kan ook met de schakelrail of met reedcontacten. Deze methode heeft als nadeel dat de lengte van de trein niet wordt gemeld, en als er een ontkoppeling is, dan wordt deze ook niet gemeld. Met als gevolg een aanrijding. En dit is nu net wat wij wilden voorkomen. [ Terug naar boven ]
| | · Keerlusprobleem bij 2-rail Ook bij het gebruik van een digitaal systeem blijft het keerlus probleem zijn kop op steken. Dit is op te lossen met een automatische schakeling die dat voor ons oplost. Wel per lus zo'n schakeling toepassen.
In feite zijn er twee manieren om het keerlusprobleem op te lossen:
De trein vlak voor de keerlus detecteren, een relais omzetten (bijvoorbeeld door een wisseldecoder) en dit vlak voor het verlaten van de keerlus opnieuw doen.
Een schakeling gebruiken die de veroorzaakte kortsluiting bij inrijden (of verlaten) van de keerlus detecteert en razendsnel de polariteit omdraait voordat er schade wordt aangericht. Sommigen vinden dit een principieel foute methode omdat je namelijk kortsluitingen laat ontstaan, anderen zijn hier weer wat rekkelijker in. Een veel gebruikte module is de Lenz LK100, zie ook het plaatje hieronder.

LET OP!! Niet alle keerlusoplossingen werken goed met digitaal, zorg dat het expliciet op de module staat (of in de handleiding) voordat je iets koopt. [ Terug naar boven ]
| | · Märklin Digitaal Web: http://www.maerklin.nl/digital.html
Märklin Digital is het bekendste systeem. Van oudsher is Marklin gericht 3-rail systemen.
Het programmeren van decoder adressen gaat met schakelaars 'dipswitches', en het instellen van snelheids- optrek- en afremcurves gaat met behulp van instelpotmeters. De centrale is er in verschillende uitvoeringen geweest de meest recente is de 6021 Control Unit
De eerste Centrale de Central Unit wordt niet meer gemaakt dit is de 6020, deze is er ook geweest als een digitale startset met de Central Control 6022 als centrale deze heeft net als de 6021 een snelheidsregelaar. De 6022 heeft alleen 4 vaste lokadressen 10, 20, 30, 40 en vier vaste wisseladressen 253, 254, 255, 0 (256) als er aan de zijkant van de Central Control een Interface of een Control 80F wordt geplaatst is het een compleet digitaal systeem met alle lokadressen via de Control 80F, of alle wisseladressen en Lokadressen via de Interface. Deze oude centrales ondersteunen alleen het oude Motorola Formaat, zoals het protocol omschreven wordt wat er op de rails staat. De 6021 Control Unit is geschikt voor het Nieuwe Motorola Formaat en kan de extra functies van de 6090x decoders bedienen, zoals geluid, licht en rangeersnelheid.
Zoals al eerder gezegd komt Märklin met een nieuw digitaal systeem op de markt waar we in de toekomst ongetwijfeld nog veel meer over zullen horen, op dit moment nog niet voldoende over bekend. [ Terug naar boven ]
| | · Lenz Digital Plus Web: http://digital-plus.de/
Lenz Digital Plus is een systeem wat zich richt op de tweerail gelijkstroom banen. Ook dit is een modulair systeem, en heeft als voordeel dat er een losse handregelaar bij zit, die alle functies in zich heeft, dus omzetten van wissels, het laten rijden van treinen, het opvragen van terugmelder informatie en een programmer. Deze handregelaar kan tijdens bedrijf worden uit en ingeplugd in de X-Bus aansluiting van het systeem. Door het ontbreken van 'Dipswitches' is dit systeem iets ingewikkelder ten aanzien van het algemene gebruik. Alles moet eerst via een programmeercyclus worden geprogrammeerd. Dit geldt voor de lokdecoders, wisseldecoders en de terugmelddecoders. De handleiding is niet altijd even duidelijk in hoe het precies moet, en daar komt bij dat er verschillen in versies zitten, dus decoders met hetzelfde nummer, moeten op verschillende manieren worden geprogrammeerd. Dit is een minpunt aan dit voor de rest uitstekend werkende systeem.
Is er als basis gekozen voor de Lenz terugmelders de LR100/101 en het Lenz Digital Plus systeem dan moet er altijd van de LB100 gebruik worden gemaakt, zelf als het in combinatie met een drierailsysteem wordt toegepast. [ Terug naar boven ]
| | · Selectrix Web: http://www.trix.nl/selectrix.html
Selectrix is een zeer gedegen digitaal systeem. De rijeigenschappen zijn ronduit goed te noemen en ook de apparatuur laat niets te wensen over. Voordeel van dit systeem is, dat u niet enkel afhankelijk bent van TRIX. Er zijn tegenwoordig drie Duitse fabrikanten/leveranciers, die alle componenten voor het Selectrixsysteem kunnen leveren, maar dan wel onder hun eigen naam. Voor minder geld krijgt u bij deze Duitse bedrijven (Müt, Rautenhaus en Döhler & Haass) meer apparatuur en kunt u rekenen op een goede service. Het Selectrixsysteem behoort hierdoor zeker niet meer tot de duurste systemen en is het overwegen waard, zeker voor computergestuurde banen.
Bij Selectrix zit de spoorbezetmelding in de terugmelders ingebouwd, dus deze kunnen rechtstreeks op de rails worden aangesloten. Het enige wat moet worden gedaan is de verdeling van de blokken en secties maken, doormiddel van de isolatie van een spoorstaaf. Aan deze bezetmelders hangt wel een behoorlijk hoog prijskaartje, zeker in vergelijking met de andere (zelfbouw-)systemen. [ Terug naar boven ]
| | · Twin Centre Web: http://www.fleischmann.de/
Dit is de opvolger voor het FMZ systeem van Fleischmann. Het FMZ systeem is door Fleischmann eind jaren 80 op de markt gebracht, en nooit meer aangepast of uitgebreid, de grootste tekortkoming aan het systeem is, er is geen mogelijkheid voor railbezet/terugmelding. Met het uitkomen van het Twin Center is dit probleem opgelost. De Twin Center is technisch gelijk aan de Intellibox, maar ondersteunt het FMZ format in plaats van het Motorola format. Dit houd in dat de goedkopere (zelfbouw)wisseldecoders voor het Märklin systeem niet gebruikt kunnen worden. [ Terug naar boven ]
| | · IntelliBox Web: http://www.uhlenbrock.de/
Alhoewel dit hoofdstuk gaat over kant-en-klaar modulaire oplossingen van de grote fabrikanten mag de IB hier toch niet ontbreken. Het is een multiprotocol digitale centrale. Dat wil zeggen het stuurt drie merken met elk hun eigen protocol aan, gelijktijdig op dezelfde rail. Dit zijn Märklin old en New format, DCC/NMRA compatible (o.a. Lenz) en Selectrix. Het apparaat bevat: 2 rijregelaars, een PC-interface, Booster, programmeer mogelijkheid voor decoders en nog wat meer. Kortom, het is een apparaat met zeer veel mogelijkheden en is prijstechnisch de goedkoopste van de eerder genoemde systemen. Vooral ook een aanrader omdat je de besturing van je totale baan kan samenstellen uit die componenten (zelfbouw of kant-en-klaar) die het voordeligst zijn. [ Terug naar boven ]
| | · Varianten op Digitaal Naast traditioneel analoog en volledig digitaal bestaan er nog een aantal tussenvormen waarbij geen decoders worden gebruikt in de locs en ook geen traditionele transformatoren. Meestal zorgt een speciale regeleenheid voor de aansturing van een in blokken opgedeelde spoorbaan. Evenals bij digitaal kan op deze manier een aantal treinen onafhankelijk van elkaar worden bestuurd, hoewel de flexibiliteit meestal minder is dan bij volledig digitaal. De geavanceerdere systemen binnen deze groep maken gebruik van een PC om de treinen te besturen (Koploper) en sturen dan ook de wissels en seinen aan.
Deze systemen zijn bijna allemaal zelfbouw, al dan niet in de vorm van een bouwpakket. Om deze reden zijn ze niet echt geschikt voor de absolute beginner zonder een grondige basiskennis van elektronica. Heb je wel kennis op dat gebied, wil je meer besturingsmogelijkheden dan met analoog en wil of kun je geen decoders in je locs bouwen, dan zijn deze systemen het overwegen waard.
Mogelijke voordelen:
Betere rijeigenschappen dan analoog (bij gebruik van zgn pulsbreedtemodulatie)
Veelal uitgebreide mogelijkheden tot besturing met een computer (Koploper)
Geen decoders in de locomotieven
Meestal goedkoper dan volledig digitaal
Mogelijke nadelen:
Minder flexibel dan volledig digitaal
Meestal duurder dan analoog
Meer bedrading dan bij digitaal
kennis van elektronica noodzakelijk
Niet altijd toepasbaar bij 3-rail wisselstroom
Een aantal voorbeelden van varianten op digitaal:
Het systeem van Leon van Perlo, Dinamo: http://home.hccnet.nl/leon.van.perlo/
Het beroemde Elektuur project EdiTS (Elektuur Digitaal Trein Systeem):
EDiTS: http://home.hccnet.nl/dk.hen/
EDiTS Pro: http://www.editspro.com/index.asp
Een zoektocht op het web zal nog veel meer voorbeelden opleveren.[ Terug naar boven ]
| | · Locomotieven digitaliseren Veruit de meeste locomotieven die momenteel nieuw verkocht worden zijn digitaal voorbereid, of hebben zelfs al een decoder aan boord. Indien ze voorbereid zijn betekent dat dat ze voorzien zijn van een NEM-stekker aansluiting. Deze locs van een decoder voorzien is werkelijk kinderlijk eenvoudig:
Maak loc open
Trek het kleine gelijk- of wisselstroom printje uit het stekkertje
Steek de decoder in de stekker (let op de oriëntatie)
Zet de kap er weer op.
Oudere locs die geen NEM-stekker hebben kunnen natuurlijk ook van een decoder worden voorzien, hier komt echter wel wat meer bij kijken. Allereerst moet je checken of er voldoende ruimte is om de decoder in te bouwen, vooral in N kan dat best lastig zijn. Gelukkig zijn er tegenwoordig hele kleine decoders die vrijwel overal inpassen.[ Terug naar boven ]
| | · Locsound Decoders ESU en Intellibox De Loksound decoders van ESU zijn multi-protocol decoders met andere woorden zij begrijpen het Motorola format en het DCC format. Deze decoders zijn standaard ingesteld op adres 3. Degene die met de Intellibox rijden kunnen tegen een probleem aanlopen. Indien het adres in de DCC mode wordt aangepast naar een andere waarde kan het voorkomen dat indien adres 3 gebruikt wordt voor een Motorola decoder de Loksound naar twee adressen zal willen luisteren. Hiertoe dient dus ook het Motorola adres in de Loksound aangepast te worden om dit "dubbele" luisteren en bijbehorende problemen te vermijden. Het adres wordt bij de Intellibox gewijzigd door CV 01 te wijzigen. Hiermee wordt alleen het DCC adres verandert. CV 64 geeft het Motorola adres. Standaard staat de waarde op 12 wat volgens de tabel adres 3 inhoudt. Stel DCC wordt ingesteld middels CV 01 op adres 20, moet CV 64 ingesteld worden op 17. Overigens kan er dus ook gekozen worden voor twee verschillende adressen indien bijvoorbeeld de locomotief thuis onder een ander nummer (DCC) rijdt dan bijvoorbeeld bij een club (Motorola). [ Terug naar boven ]
| | · Zonder PC digitale loc netjes automatisch afremmen/optrekken 3-rail
Het laten optrekken en afremmen gaat door middel van een hulpschakeling. Deze is kant en klaar te koop bij Märklin onder nummer 72441. Of je maakt deze schakeling zelf voor een fractie van de prijs welke Märklin vraagt voor deze schakeling. Zie de website van Huub Maaskant voor een duidelijke beschrijvinge en handleiding: http://www.floodland.nl/trein/info/digitaal_0.htm
2-rail
Informatie (in het Duits) is te vinden op de Lenz site, het betreft dan de Bremsgenerator LG100 http://www.lenz-elektronik.com/pdf_files/lg100.pdf [ Terug naar boven ]
| | · Aan de slag!! Je hebt nu behoorlijk wat informatie over digitaal modelspoor gelezen maar bedenk heel goed dat het voorgaande echt nog niet alles is! Je hebt een eerste begin gemaakt. Laat je daar echter niet door ontmoedigen, velen zijn je voorgegaan en zijn nu actieve digitale spoorders geworden.
Wat ze allemaal gemeen hebben is dat ze klein begonnen zijn, het beginnen met een testbaan is essentieel voor later succes, bijvoorbeeld een zoals het eerder genoemde proefbaantje in het hoofdstuk over Blokken.
Het laten rijden van je eerste digitale loc en het uitproberen van de besturing met de PC is een avontuur waar je ongetwijfeld vele uren mee bezig zult zijn en dan hebben we het niet eens over het bouwen en aansluiten van alle digitale onderdelen. [ Terug naar boven ]
|
|
|
| |
 |
Modelspoor Agenda |
 |
|
Geen activiteiten vandaag.
|
|
|
 |
|